VRAAGBAAK VAN DE MAAND
STEL EEN VRAAG AAN ...

Dinemarie Teunissen (kinderen/jeugd)
Nannet Buitelaar - secretaris (volwassenen)
Sanne Vink (psycholoog)
METHYLFENIDAAT VS ATOMOXETINE

Door Pieter-Jan Carpentier

 

Is het de moeite waard een vergelijkend medicatie-onderzoek bij 516 kinderen hier te vermelden op een website voor ADHD bij volwassenen? Jazeker. Niet alleen omdat we uit ervaring weten dat medicatie voor kinderen en jeugdigen meestal vergelijkbare effectiviteit heeft bij volwassenen. Vooral omdat dit het eerste onderzoek is waarin twee belangrijke medicijnen, methylfenidaat en atomoxetine, head to head met elkaar vergeleken worden. Daarnaast omdat dit een degelijk opgezet onderzoek is, met alle noodzakelijke vereisten, zoals randomisatie over 3 armen met ruim voldoende deelnemers (methylfenidaat, N= 220, atomoxetine, N=222 en placebo, n=74), en optimale medicatie-preparaten (langwerkend methylfenidaat met osmotisch gereguleerde afgifte) en doseringsstrategieën.

 

Het mooie is dat uit dit onderzoek resultaten naar voren komen die wonderwel overeenkomen met onze klinische ervaringen. Beide medicijnen zijn effectiever dan placebo (met een response rate van 24%, een niet onbelangrijk maar niet storend placebo effect), maar methylfenidaat blijkt effectiever dan atomoxetine (response rate 56%, resp. 24%). Methylfenidaat heeft een grotere effect size (d=0.8), met een aansprekend laag number needed to treat (namelijk 3). Atomoxetine had een minder groot effect (d=0.6), met een kleiner maar nog steeds zeer respectabel number needed to treat van 5. Deze cijfers bevestigen dat psychostimulantia vooralsnog de meest effectieve medicijnen zijn bij behandeling van ADHD. Zoals bekend worden beide medicijnen goed verdragen: onverwachte bijwerkingen en staken van de medicatie kwamen niet duidelijk vaker voor dan bij placebo.

 

Het vervolg van deze studie wordt nog interessanter: van 70 non-responders op methylfenidaat bleek 43% vervolgens wel te reageren op atomoxetine. Van 42% van de 69 non-responders op atomoxetine was bekend dat ze in het verleden wel goed gereageerd hadden op methylfenidaat. Dit alles wijst sterk op preferentiële respons, wat eenvoudig betekent dat voor de individuele patiënt het ene medicijn effectiever is dan het andere. Een dergelijk mechanisme kenden we al bij gebruik van methylfenidaat en dexamfetamine (Plizka, 2006). Dit sluit aan bij de (genetische) heterogeniteit van ADHD. Vandaar dat we ook niet mogen verwachten dat elk medicijn voor iedere patiënt zal werken. Dit onderzoek bevestigt dat de beschikbare ADHD-medicijnen wel degelijk verschillend zijn, wat een goede zaak is, want we hebben alleen maar verschillende patiënten. Als clinici zijn we niet zozeer geïnteresseerd in medicijnen die evengoed werken, we willen vooral medicijnen die werkzaam zijn bij die patiënten, waarbij de andere medicijnen niet werken ...

 

Literatuur
1. Vitiello B. Improving decision making in the treatment of ADHD. Am J Psychiatry. 2008 Jun;165(6):666-7. In dit redactioneel commentaar worden de verdiensten van het onderzoek verder besproken.


2. L. E. Arnold. Methylphenidate vs. amphetamine: Comparative review. Journal of Attention Disorders, Jan 2000; vol. 3: pp. 200 - 211.

 

3. Newcorn JH, Kratochvil CJ, Allen AJ, Casat CD, Ruff DD, Moore RJ, Michelson D; Atomoxetine/Methylphenidate Comparative Study Group.
Atomoxetine and osmotically released methylphenidate for the treatment of attention deficit hyperactivity disorder: acute comparison and differential response.
Am J Psychiatry. 2008 Jun;165(6):721-30.




SITEMAP   COLOFON   DISCLAIMER