VRAAGBAAK VAN DE MAAND
STEL EEN VRAAG AAN ...

Dinemarie Teunissen (kinderen/jeugd)
Nannet Buitelaar - secretaris (volwassenen)
Sanne Vink (psycholoog)
ADHD GAAT NIET BIJ IEDEREEN OVER MET OUDER WORDEN

Door Pieter-Jan Carpentier

De beste manier om eindelijk te weten wat nu de factoren zijn die bepalen of ADHD wel of niet overgaat met het ouder worden, is een zorgvuldig opgezet longitudinaal onderzoek over erg lange tijd, waarbij deelnemers vanaf de vroege jeugd tot voorbij hun vroege volwassenheid gevolgd worden. Als je even overdenkt, wat zo'n onderzoek allemaal zou inhouden, is op zijn zachtst twijfelachtig of zo'n project er ooit zal komen; niet voor niets is longitudinaal onderzoek ongeveer het moeilijkste wat je, wat organisatie en uitvoering betreft, kan bedenken.

Dus moeten we het hebben van meer eenvoudige methodieken, die minder nauwkeurig zijn, maar wel sneller resultaat leveren, in casu een retrospectief onderzoek. Het hier besproken onderzoek werd uitgevoerd in het kader van het WHO World Mental Health Survey project, en vloeit voort uit een hier al eerder besproken onderzoek naar de wereldwijde prevalentie van ADHD (Fayyad, 2007). In dit onderzoek werd de diagnose ADHD onderzocht bij volwassenen in 10 landen, zowel Westerse landen als ontwikkelingslanden. Bij de 629 volwassenen, bij wie de retrospectieve diagnose ADHD op de kinderleeftijd was vastgesteld, werd nagegaan of er op moment van onderzoek nòg sprake was van ADHD en welke factoren hierop mogelijk van invloed konden zijn.


Gemiddeld bleek ADHD in 50% van de gevallen te persisteren (spreiding 32.8 - 84.1%); merkwaardig en onverklaard blijft waarom het persisteren van ADHD per land lijkt te variëren. Leeftijd en geslacht hadden weinig invloed op de blijvende aanwezigheid van ADHD. De ernst van de symptomen op kinderleeftijd, gemeten aan de ernst van de disfunctie, had wel een duidelijke invloed (zoals ook eerder in klinische onderzoeken aangetoond). Het gecombineerde ADHD type blijft het langst aanhouden, het impulsief/hyperactieve type gaat het snelst in remissie. Opnieuw opvallend was dat behandeling van ADHD op kinderleeftijd geen duidelijke invloed had (wel moet gesteld dat het aantal deelnemers dat behandeld was geweest, erg klein was).


Negatieve opvoedingsomstandigheden bleken erg vaak voor te komen in combinatie met ADHD op de kinderleeftijd, maar alleen de aanwezigheid van een antisociale persoonlijkheidsstoornis bij één van de ouders was bepalend voor de aanwezigheid van ADHD op volwassen leeftijd. Ook een stemmingsstoornis of angststoornis bij de vader, niet bij de moeder, voorspelde het persisteren van ADHD. Trauma's op de kinderleeftijd blijken erg vaak voor te komen; 76.1% van de deelnemers met ADHD op kinderleeftijd had minstens één trauma meegemaakt voor het 16de levensjaar (lees in dit verband het PSY-bericht over de inaugurale rede van Stefan Bogaerts). Toch bestond er geen duidelijke associatie tussen het aantal trauma's op kinderleeftijd en het voortduren van ADHD. Wanneer gekeken werd naar de psychiatrische comorbiditeit van de deelnemers, bleken nagenoeg alle andere psychiatrische stoornissen vaker voor te komen bij ADHD op de kinderleeftijd, maar alleen het optreden van een depressieve stoornis en de aanwezigheid van véél comorbide stoornissen voorspelden het persisteren van ADHD. Opnieuw verrassend was dat Conduct Disorder, Oppositional Defiant Disorder en bipolaire stoornis, die vaak samen met ADHD voorkomen, het risico op persisteren niet leken te verhogen, hoewel men o.b.v. de klinische ervaring dit niet zou verwachten. De auteurs komen hier ook niet helemaal uit, en suggereren dat selectiebias een rol speelt in de klinische populaties, die hiervoor het meest onderzocht zijn.


Een elegante uitwerking van dit onderzoek was dat een gewogen score van de relevante factoren een redelijke voorspelling opleverde van de kans op persisteren van ADHD op volwassen leeftijd. Zoals gesteld levert het onderzoek wel wat verrassingen op: enigszins in tegenstelling tot wat we op basis van de klinische ervaring zouden verwachten, zijn de meeste onderzochte factoren vooral geassocieerd met de aanwezigheid van ADHD op de kinderleeftijd, en niet met het persisteren van het beeld.


Toch zijn deze resultaten ook voor behandelaars van volwassenen met ADHD de moeite waard, want deze en vergelijkbare voorspellende factoren kunnen ook op volwassen leeftijd van invloed zijn op het aanhouden van de ADHD-symptomen. Het levert nog geen accurate voorspelling op hoelang behandeling nodig zal zijn, maar het is alvast een stap in de goede richting.


Literatuur
1. Fayyad J, De Graaf R, Kessler R, Alonso J, Angermeyer M, Demyttenaere K, De Girolamo G, Haro JM, Karam EG, Lara C, Lépine JP, Ormel J, Posada-Villa J, Zaslavsky AM, Jin R.
Cross-national prevalence and correlates of adult attention-deficit hyperactivity disorder.
Br J Psychiatry. 2007 May;190:402-9.


2. Inaugurale rede Stefan Bogaerts, hoogleraar forensische psychologie en victimologie, Universiteit Tilburg, 23 januari 2009.

 

3. Lara C, Fayyad J, de Graaf R, Kessler RC, Aguilar-Gaxiola S, Angermeyer M, Demytteneare K, de Girolamo G, Haro JM, Jin R, Karam EG, Lépine JP, Mora ME, Ormel J, Posada-Villa J, Sampson N. Childhood predictors of adult attention-deficit/hyperactivity disorder: results from the World Health Organization World Mental Health Survey Initiative.
Biol Psychiatry. 2009 Jan 1;65(1):46-54.




SITEMAP   COLOFON   DISCLAIMER