VRAAGBAAK VAN DE MAAND
STEL EEN VRAAG AAN ...

Derk Birnie - vice-voorzitter (kinderen/jeugd)
Nannet Buitelaar - secretaris (volwassenen)
Sanne Vink (psycholoog)
ADHD VERHOOGT DE KANS OP PERSOONLIJKHEIDSSTOORNISSEN

Ook dat nog ! ADHD en persoonlijkheidsstoornissen

 

Door Pieter-Jan Carpentier

 

Miller CJ, Flory JD, Miller SR, Harty SC, Newcorn JH, Halperin JM.

Childhood attention-deficit/hyperactivity disorder and the emergence of personality disorders in adolescence: a prospective follow-up study.

J Clin Psychiatry. 2008 Sep;69(9):1477-84.

Free PMC article: het volledige artikel is op deze link te lezen

 

In de dagelijkse praktijk is goed herkenbaar dat ADHD de kans op een persoonlijkheidsstoornis vergroot. Dit is al met systematisch onderzoek bevestigd, waarbij vooral een verhoogd risico op een antisociale persoonlijkheidsstoornis en andere DSM-IV Cluster B persoonlijkheidsstoornissen is aangetoond. Verwonderlijk is dit niet, omdat ADHD aanschuurt tegen de meer ernstige gedragstoornissen (ODD en CD, de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en de (antisociale) gedragsstoornis), de manifestaties op jonge leeftijd van de groep van externaliserende stoornissen, waartoe ook de antisociale persoonlijkheidsstoornis en de verslavingen behoren. Veelal betreft het hier evenwel retrospectief onderzoek (met de mogelijke twijfel over de retrospectieve diagnose ADHD op kinderleeftijd), en meestal zonder geschikte controlegroep. Vandaar dat het de moeite was dit al wat oudere Canadese onderzoek nog eens na te lezen, omdat het hier een prospectief onderzoek betrof, met een mooie controlegroep.


Een groep van 96 keurig gecertificeerde ADHD-patiëntjes (overwegend jongens), gerecruteerd tussen hun 7de en 11de, werd ongeveer 10 jaar later opnieuw beoordeeld op de aanwezigheid van ADHD en op de aanwezigheid van kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis. Fraai in dit onderzoek is dat systematisch gebruik is gemaakt van informatie van één van de ouders om de afwijkende persoonlijkheidskenmerken te bevestigen. De bevindingen werden vergeleken met een in leeftijd, geslacht, ras en SES aangepaste controlegroep van 85 deelnemers. Met een logistische regressie werden dan de risico’s (odds ratio’s) berekend voor de diverse persoonlijkheidsstoornissen.


De hoogste prevalentie van persoonlijkheidstoornissen werd gevonden bij de deelnemers die bij follow-up nog steeds ADHD hadden (persisterende ADHD), gevolgd door de groep bij wie de ADHD in remissie gegaan was; de laagste prevalentie zoals verwacht in de controlegroep. In vergelijking met de controlegroep (zonder ADHD) hadden de deelnemers met een ADHD-diagnose op kinderleeftijd een duidelijk verhoogd risico op persoonlijkheidsstoornissen, met name die van het Cluster B (voor cluster A bleek het risico niet verhoogd, voor het Cluster C slechts ten dele). Deelnemers met persisterende ADHD hadden in vergelijking met de deelnemers met enkel ADHD op kinderleeftijd een verhoogd risico op antisociale en paranoïde persoonlijkheidsstoornissen. De aanwezigheid van externaliserende comorbiditeit op kinderleeftijd (bij de eerste evaluatie) bleek slechts marginaal en niet-significant de kans op een antisociale persoonlijkheidsstoornis te verhogen.


Ten dele bevestiging van eerder onderzoek, maar ook nuanceringen. Het risico op persoonlijkheidsstoornissen is verhoogd bij ADHD, maar het risico is niet gelijk voor alle typen persoonlijkheidsstoornis, en blijkt ook bepaald te worden door het persisteren van ADHD. Met het prospectief karakter van het onderzoek werd het mogelijk aan te tonen dat niet zozeer de diagnose ADHD of de externaliserende comorbiditeit op kinderleeftijd het risico op een antisociale persoonlijkheidsstoornis bepaalt, maar wel het persisterend karakter van de ADHD.


Hiermee worden ook interessante vragen opgeroepen over het verband tussen ADHD en persoonlijkheidsstoornis. Eén mogelijkheid is dat ADHD een voorloper is van de persoonlijkheidsstoornis, wat de mogelijkheid doet opperen dat het disfunctioneren van volwassenen met ADHD ten dele toe te schrijven is aan niet-gediagnosticeerde persoonlijkheidsstoornissen. Natuurlijk is ook mogelijk dat het gestoorde gedrag van kinderen met ADHD een negatieve interactie met hun ouders en omgeving uitlokt, wat opnieuw de kans op een persoonlijkheidsstoornis verhoogt. Tenslotte zou het kunnen dat ADHD én (bepaalde) persoonlijkheidsstoornissen verschillende manifestaties zijn van eenzelfde stoornis. Deze hypothese doet wel recht aan het chronische karakter van ADHD, wat het gemeen heeft met de persoonlijkheidsstoornissen. Wat ook de verklaring moet worden, niet onbelangrijk om te vermelden is dat niet alle kinderen met ADHD op volwassen leeftijd een verstoorde persoonlijkheid hebben, dus er spelen nog meer factoren een rol.


Toch is dit duidelijk verhoogde risico op een latere persoonlijkheidsstoornis een bijkomende belangrijke reden om kinderen met ADHD op te sporen en te behandelen. Aanvullend longitudinaal onderzoek moet dan uitwijzen of adequate behandeling van ADHD dit risico inderdaad kan beïnvloeden.

 

Aanvullende literatuur

Fischer M, Barkley RA, Smallish L, Fletcher K.

Young adult follow-up of hyperactive children: self-reported psychiatric disorders, comorbidity, and the role of childhood conduct problems and teen CD.

J Abnorm Child Psychol. 2002 Oct;30(5):463-75.




SITEMAP   COLOFON   DISCLAIMER