VRAAGBAAK VAN DE MAAND
STEL EEN VRAAG AAN ...

Derk Birnie - vice-voorzitter (kinderen/jeugd)
Nannet Buitelaar - secretaris (volwassenen)
Sanne Vink (psycholoog)
SLEET OP HET GEHEUGEN

Door Pieter-Jan Carpentier

Dat het menselijk geheugen feilbaar is, is maar al te goed geweten, maar de boodschap van het hier besproken onderzoek is niet direct een geruststelling voor behandelaars van volwassenen met ADHD. In het kader van een langer lopend Canadees project kregen de onderzoekers de gelegenheid 94 adolescenten (vooral jongens) tussen hun 16de en 22ste met hun ouders te ondervragen over de ADHD- symptomen in hun jeugd. Gemiddeld 9 jaar eerder was bij elk van hen op basis van uitvoerige documentatie een diagnose ADHD, gecombineerde type gesteld. Slechts 35 (36.5%) ouders en 26 (27.1%) jongeren konden de symptomatologie van toen nog in volledige overeenstemming met de destijds gestelde diagnose beschrijven. Als de criteria wat versoepeld werden, wisten 73 (77.7%) ouders en 59 (62.8%) jongeren voldoende gegevens aan te leveren om retrospectief een diagnose ADHD (niet meer hetzelfde subtype) te stellen.


Voor de meerekenende lezer: bij navraag over de jeugd herkenden 21 (22.3%) ouders en 35 (37.2%) jongeren onvoldoende de ADHD-symptomatologie om op basis van hun informatie de diagnose te kunnen stellen. En let wel, deze navraag gebeurde met verwijzing naar het onderzoek waar deze jongeren gemiddeld 9 jaar geleden aan hadden deelgenomen, en met gebruik van zorgvuldige semi-gestructureerde interviews, die erop gericht zijn de informatie zo helder mogelijk naar boven te krijgen. OK, 10 jongeren herkenden nog wel een aantal symptomen, maar net onvoldoende om op basis van de strikte DSM-IV-TR criteria de diagnose te mogen stellen.

De herinnering bij ouders en jongeren werd niet beïnvloed door de ernst van de symptomatologie op kinderleeftijd, maar wel door de aanwezigheid van symptomen bij het huidige onderzoek: hoe meer actuele symptomatologie, hoe meer herinnering van symptomen in het verleden. De ouders bleken significant beter de symptomen op kinderleeftijd te rapporteren dan de jongeren zelf.

In tegenstelling tot een aantal andere onderzoeken, gaat het hier om een patiëntengroep uit de lagere sociale klassen, maar dat maakt dit onderzoek misschien voor ons behandelaars in Nederlands des te meer interessant. Bij herhaling spreken de onderzoekers hun verbijstering uit over het gebrek aan ziektebesef bij een flink aantal van deze jongeren. Een aantal van hen ontkende last te hebben van symptomen (zoals onrust en afleidbaarheid), die tijdens de interviews erg manifest waren. Wel stellen de onderzoekers de vraag of de weinig uitdagende levensomstandigheden (beperkte scholing, werkloosheid, een marginaal bestaan) van een groot aantal van de deelnemers hierin een rol hebben gespeeld. Mogelijk heeft dit ook iets met de levensfase te maken: adolescenten blijken inderdaad de bevolkingsgroep te zijn die het moeilijkst voor hun ADHD in behandeling komt.


Heel nieuw zijn deze resultaten niet. Hoewel globaal gesteld wordt dat de informatie van de patiënt voldoende betrouwbaar is om een diagnose ADHD op te kunnen baseren, hebben eerdere onderzoeken al aangetoond dat niet alle patiënten zich evengoed hun eerdere symptomatologie kunnen herinneren, en dat de overeenstemming tussen verschillende informanten nog wel eens de wensen overlaat. Betere herinnering wordt verkregen met gebruik van gestructureerde ondervraging en bij betere motivatie van de patiënt. Toch levert deze illustratie van beperkte herinnering van eerdere ADHD-symptomatologie, nochtans zorgvuldig nagevraagd in nagenoeg ideale omstandigheden, een aantal belangrijke adviezen op voor de diagnostiek van (niet eerder vastgestelde) ADHD bij volwassenen:
- de discussie over het wel of niet inschakelen van andere informanten (partner, ouders, familieleden) is op basis van deze resultaten eigenlijk een gepasseerd station. De aanbeveling moet zijn steeds alle informanten, die beschikbaar zijn, bij het onderzoek te betrekken
- "objectieve" documenten (zoals schoolrapporten en andere observaties) verdienen meer aandacht
- uitgebreid navragen met gebruik van specifieke voorbeelden (zoals beschikbaar in de DIVA) zal meer informatie opleveren
- en tenslotte: klinische diagnostiek is een vaardigheid, waarbij de waarde van de verzamelde informatie gewogen wordt in de context van het gehele klinische beeld.


Veel succes!


Literatuur
1. Miller CJ, Newcorn JH, Halperin JM.
Fading Memories: Retrospective Recall Inaccuracies in ADHD.
J Atten Disord. 2009 Sep 30.




SITEMAP   COLOFON   DISCLAIMER