VRAAGBAAK VAN DE MAAND
STEL EEN VRAAG AAN ...

Dinemarie Teunissen (kinderen/jeugd)
Nannet Buitelaar - secretaris (volwassenen)
Sanne Vink (psycholoog)
VROEGE BEHANDELING VERSCHAFT WERK

Door Pieter-Jan Carpentier


Al langer is bekend dat volwassenen met ADHD het veel moeilijker hebben om volwaardig in de maatschappij te kunnen meedraaien. In het hier besproken Noorse onderzoek wordt dit nogmaals op een fraaie manier geïllustreerd. Hierbij is gebruik gemaakt van een redelijk unieke situatie, die in Noorwegen gecreëerd is als een (in mijn ogen overmatige) beveiliging tegen het risico op stimulantia misbruik.

 

Behandeling van volwassenen met psychostimulantia moet bij een landelijke commissie worden aangevraagd, waardoor gelijk ook een landelijk register van protocollair gediagnosticeerde volwassen ADHD-patiënten wordt aangelegd. De onderzoekers hebben alle patiënten die tussen 1997 en 2005 aangemeld werden voor behandeling met stimulantia, een uitnodiging gestuurd om aan het onderzoek mee te doen. Van de ongeveer 5000 patiënten hebben zich 473 voor het onderzoek gemeld, uiteindelijk hebben 414 van hen het onderzoek afgerond. De meeste deelnemers vulden vragenlijsten in over hun ADHD symptomen, de psychiatrische comorbiditeit, hun opleiding en een arbeidsanamnese. Een kleine groep werd uitgenodigd voor verdere interviews (ter controle van de vragenlijsten). Ter controle werd een groep van vergelijkbare leeftijdsopbouw uit de landelijke bevolking gerekruteerd.

 

De resultaten liegen er niet om, maar zullen ervaren Netwerkers niet verbazen: slechts 23% van de ADHD-patiënten had een universitaire opleiding afgerond, in vergelijking met 59% bij de controlegroep, en 29% van de patiënten had enkel een middelbare school diploma, vergeleken met 6% van de controlegroep. Slechts 24.3% van de patiënten meldde betaald werk te hebben, een fors contrast met de controlegroep, waarvan 78.8% aan het werk was (het Noorse landelijke gemiddelde voor de volwassen bevolking is ongeveer 70%); 32.1% van de patiënten kreeg een arbeidsongeschiktheidsuitkering, 20.6% was bezig met een arbeidsreïntegratietraject. Naar mijn inschatting is de Noorse situatie voldoende vergelijkbaar met de Nederlandse, op basis van eigen ervaring zou ik bij een vergelijkbaar onderzoek in Nederland vergelijkbare resultaten verwachten.

 

Verder onderzoek van de patiëntengroep toonde een hoge prevalentie van psychiatrische comorbiditeit (depressie, angststoornissen, alcohol- en drugsverslaving). Slechts bij een kleine groep van de patiënten (n = 81; 20%) was de diagnose ADHD al op de kinderleeftijd gesteld, 75 van hen waren in hun jeugd met stimulantia behandeld. In vergelijking met de andere deelnemers die in hun jeugd niet behandeld waren, toonde deze groep minder psychiatrische comorbiditeit, minder alcoholproblemen, maar een vergelijkbare prevalentie van drugproblemen.

Het mooiste resultaat van de studie komt uit de statistische bewerking van deze gegevens. Bij logistische regressie bleek één factor duidelijk gecorreleerd met tewerkstelling op volwassen leeftijd: behandeling met stimulantia op kinderleeftijd. Deelnemers die als kind niet behandeld waren hadden een drie maal grotere kans om als volwassene geen werk te hebben. Hiermee is het belang van vroegtijdige diagnose en behandeling van ADHD nogmaals aangetoond. Opvallend is dat dit resultaat niet gevonden is in een vergelijkbare Amerikaanse studie (Kessler e.a., 2005); een selectiebias die hierbij kan meespelen is dat kinderen met meer ernstige symptomen eerder in behandeling komen, maar dit zou in de Noorse studie de invloed van vroege

behandeling nog groter maken.

 

Op meerdere manieren kan vroege behandeling het latere functioneren beïnvloeden. Het effect van vroegtijdige medicamenteuze behandeling gaat natuurlijk verder dan enkel de farmacologische beïnvloeding. In de eerste plaats kan gedacht worden aan het effect op de opleiding, omdat ook in deze studie een positieve correlatie tussen niveau van opleiding en kans op tewerkstelling werd gevonden. Bij verdere analyse werd evenwel geen duidelijk effect gevonden van vroegtijdige behandeling op het opleidingsniveau. Verder valt te bedenken dat voorlichting, begeleiding en de mogelijkheid van snelle behandeling een beschermend effect hebben wat betreft het optreden van comorbiditeit. Psychiatrische comorbiditeit op volwassen leeftijd is ook gecorreleerd met verminderde kans op tewerkstelling.

 

De studie illustreert - eens te meer - de maatschappelijke problemen waar volwassenen met ADHD mee te maken hebben. De positieve boodschap van dit onderzoek is dat er wel degelijk iets te doen valt, op voorwaarde dat er op tijd mee wordt gestart.

Literatuur
1. Halmøy A, Fasmer OB, Gillberg C, Haavik J.
Occupational Outcome in Adult ADHD: Impact of Symptom Profile, Comorbid Psychiatric Problems, and Treatment: A Cross-Sectional Study of 414 Clinically Diagnosed Adult ADHD Patients.
Journal of Attention Disorders, Sep 2009; vol. 13: pp. 175 - 187

 

2. Kessler RC, Adler LA, Barkley R, Biederman J, Conners CK, Faraone SV, Greenhill LL, Jaeger S, Secnik K, Spencer T, Ustün TB, Zaslavsky AM.
Patterns and predictors of attention-deficit/hyperactivity disorder persistence into adulthood: results from the national comorbidity survey replication.
Biol Psychiatry. 2005 Jun 1;57(11):1442-51.




SITEMAP   COLOFON   DISCLAIMER